De vergeten schrijver
In de
kringloopwinkel “De Loods” te Maastricht vond ik voor 1 EUR een boek van Jeroen
Brouwers. Hij is voor mij een halfgod binnen de Nederlandse literatuur. En dit
boekje had ik nog niet: “Winterlicht”, met een zijvakje binnen op de verharde
voorkant waarop de samengevatte info staat van een bibliotheek te Zutphen, met
vlak daarna op de eerste pagina een grote stempel “Afgeschreven”.
Het ironische van dat boek is dat het gaat over een auteur van middelbare
leeftijd (een ik-verteller en alter ego van de auteur) die werkte als lector
voor een uitgeverij en daarbij de oudere auteur Jacob Voorlandt leert kennen.
Het werk gaat over schrijvers die nooit echt doorgebroken zijn en over zijn
angst om zelf een vergeten auteur te worden. Het niet eeuwige en het eeuwige vormen hierbij met zijn dromen, personages en geschreven
impressies een deel van het boek en zijn verhaal.
Hij spaart
hierbij noch de uitgeverswereld en de mens en diens kijk op het schrijversschap,
noch de schrijver zelf, wentelend in zelfbeklag. Waarbij hij zichzelf op de
korrel neemt en in toekomstvisioenen ziet hoe hij wel eens zou kunnen eindigen,
net als de schrijver die hij volgt: Jacob Voorlandt. Het beangstigende is dat
sommige van de uitspraken van de verbitterde schrijver die hij ontmoet zo juist aanvoelen:
“Wie wil schrijven moet uitsluitend schrijven (…) alles wat hij doet of meemaakt in het teken stellen van het oeuvre dat hij maakt, zijn hele leven lang, en het beschouwen als zijn lot dat hij niet kan ontlopen en overigens tot in de uiterste consequentie ook niet wil ontlopen, - dàt is een schrijver.”
Hij laat dit het
personage aan de ik-figuur vertellen, die hem als een soort mentor aanvuurt om
uit de uitgeverswereld te stappen en zich volledig toe te leggen op het
schrijven. Iets wat hij hem vertelt terwijl
deze zelf dronken wegkwijnt, alleen en ergens ver weg van de rest van de wereld.
Wat hij hem
vertelt is een herkenbaar gegeven, mits je zo effectief kan overleven en
toegevingen doet, met de nodige broodschrijverij, inspelend op wat men je
vraagt, aanbiedt en wat net in die periode hip is om over te schrijven. Niet helemaal
mijn weg, maar het klopt wel: erken wie je in weze bent en organiseer je leven
daarnaar - met wel deze grote maar die ik daarachter plaats – maar laat ruimte
over zodat je niet verengt en in vergetelheid geraakt. Of is dit laatste mijn
grote angst die opspeelt na het lezen van dit werk?
Goed, de
(vergeten) schrijver dus, hij is voor mij meer dan een mannetje dat hele dagen
achter zijn schrijfgestoelte zit, een schrijver moet ook buiten komen,
ontmoeten, beleven en inspiratie opdoen om het tot zich te nemen, om als
felxibel wezen telkens opnieuw diens schrijverij te heruitvinden en te kunnen
getuigen van de wereld zoals die nu is. Dat naar buiten komen, moet in balans
zijn met het schrijven, het mag geen vlucht zijn, van wat die in essentie hoort
te doen.
Zoals je
leest, inspireert dit boek ook mij. Het is een meta boek omdat het personage
dat hij beschrijft als een spiegel voor hem en de lezer dienst doet. Tegelijk
druipt de ironie ervan af, een gevierd auteur en zeer begenadigd schrijver
zoals hij zelf was; ligt nu ergens in de kringloopwinkel, verzeild geraakt
vanuit een bibliotheek die om de zoveel tijd boeken afschrijft. Terwijl ik, een
onbekend schrijver – die niet schrijft om eeuwig te blijven, maar omdat ik nu
eenmaal niet(s) anders kan – het vind en zo verheugd is over de inzichten omtrent
het schrijven.
Ik licht er
hier nog een andere mooie citaat uit, waarin het ik-personage uitlegt waarom
hij zelfs ‘s nachts zijn dromen opschrijft, iets wat ik ook doe als het intens
is en in grote beelden blijft hangen wanneer ik wakker schiet:
(…) een droom die men opschrijft, is daarna opgehouden een droom te zijn: - door de droom te reproduceren heeft men een tekst geproduceerd. Wat vervolgens blijft bestaan (zolang het niet wordt vernietigd) is niet de droom, maar de geproduceerde tekst, ‘het geschrevene’: een tot werkelijkheid gemaakt feit, dat afkomstig is uit een onfeitelijk nietbestaan, waar werkelijkheid bestaat uit onwerkelijkheid. Dit is het wezen van literatuur.”*.
Eigenlijk zou
je heel die pagina moeten lezen, want hij vertelt over wat eigenlijk
autobiografisch is en tegelijk fictie wordt en daarbij een nieuwe werkelijkheid
aanneemt. Waarbij de schrijver exploreert, en niet bezig is met verhalen
vertellen, want dat metier is overgenomen door de (toen televisie) media van nu
en heel binnenkort voor een groot deel door AI, maar het is geen literatuur,
niet zoals het ik-personage en J. Voorlandt bedoelen.
En ja, wie
wil er nu niet vereeuwigd worden als kunstenaar? Dat is jouw erfenis, dat is
wat je nalaat en al zeker als je zelf geen nazaten hebt. Maar wat je creëert
kan evengoed een plezier zijn onderweg, omdat je het graag doet, omdat je van
verhalen houdt, omdat je graag creëert, zonder meer, en het kan een tijdsdocument
zijn en niet meer dan dat, je weet niet wat de lange termijn brengt, het kan
even snel zoek geraken ergens in een stoffige rommelruimte en niet ontdekt
worden, niet afgestoft en onder het daglicht gebracht worden, en net als duizende
andere boeken verdwijnen. Of zoals het nu gaat van hun kaft ontkleed, de rand
weggesneden, als wees onthoofd en ingescant door een machine die dan weer
andere would-be schrijvers adviseert hoe het moet, maar jouw naam, koud zweet
en tranen die verdwijnen, tenzij, tenzij het nog even in het licht komt door
een andere verbeten schrijver spittend in een nog net bestaand archief wat ooit
een boekenwinkel was of een archeoloog van het woord die het in een
multimediacomplex vind, deel van wat ooit een bibliotheek was, op zoek naar de
oorsprongkelijke woorden van de schrijver zelf.
En zo blijf
je nog even, tot je verstuift in het licht van de eeuwigheid, het onmetelijke
van het universum waarvan soms een restje nazindert, het plankton dat nog
ergens bleef kleven, omdat het goed genoeg was, mooi en inspirerend genoeg om
te blijven, en al de rest… . Misschien is dat net de troost, dat hoe groots je
het zelf ook ziet, en hoe hard je er ook onder zwoegde, je je niet zo druk moet
maken, want enkel de eeuwigheid zelf is eeuwig.
Behalve hij, de schrijver, en de
persoon die hem telkens opnieuw ontdekt.
*Jeroen Brouwers, Winterlicht. p12
en p116 (1984) – kort verschenen na, De
laatste deur, met essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren (1983).




Reacties
Een reactie posten